Pagina Selecteren

Er verscheen onlangs een artikel op de NOS-website met een kop die je even deed stilstaan: 35-plusser die jaren intensief sport, loopt groter risico op hart- en vaatziekten. Een kop als deze gaat snel rond. Op verjaardagen, in appgroepen, in de kleedkamer na de training. En de reactie is voorspelbaar: "Zie je nou wel. Al dat sporten is toch niet zo gezond."

Maar klopt dat? Is dit een signaal om je sportschoenen in de hoek te gooien? Of is er meer aan de hand dan een pakkende titel doet vermoeden?

Ik dook in het onderliggende onderzoek. En wat ik vond, vraagt om nuance.


Over welke sporters hebben we het eigenlijk?

Dat is de eerste en meteen de belangrijkste vraag. Want het woord "intensief" in de kop doet vermoeden dat het gaat om mensen die drie of vier keer per week sporten, misschien een wekelijks hardlopen of regelmatig naar de sportschool gaan. Maar dat is nadrukkelijk niet de groep waar dit onderzoek over gaat.

Onderzoeker Thijs Eijsvogels van het Radboudumc omschrijft het zelf zo: het gaat om sport waarbij je hartslag en ademhaling flink omhooggaan, waarbij je geen fatsoenlijk gesprek meer kunt voeren. En bovendien: niet incidenteel, maar minstens vijf tot tien jaar lang. Het gaat over een groep die in de wetenschappelijke literatuur masters athletes wordt genoemd: mensen van grofweg 35 jaar en ouder die al jarenlang zeer fanatiek trainen.

Om dat te vertalen naar iets concreets: een wielrenner in deze categorie rijdt wekelijks meer dan 300 kilometer. En dan hebben we het over kilometers waarbij het zweet je uitbreekt, niet over een rustige zone 2-training. Dat is geen doorsnee recreatieve sporter. Dat is een levenswijze die voor de meeste mensen met een baan, een gezin en sociale verplichtingen simpelweg niet haalbaar is.

De onderzoeken waarop de nieuwe klinische consensus is gebaseerd, kijken ook uitsluitend naar duursporten als hardlopen, wielrennen en triatlon. Krachttraining valt er niet onder. Een crossfitter, een recreatieve zwemmer, iemand die vier keer per week een uur naar de sportschool gaat, is niet de persoon die in deze studies centraal staat.


Wat is dit eigenlijk voor onderzoek?

Het bericht op de NOS is gebaseerd op een nieuwe klinische consensusverklaring, gepubliceerd in zowel het European Heart Journal als het tijdschrift van het American College of Cardiology. Eijsvogels en zijn Belgische collega Guido Claessen leidden dit internationale project, waarbij Europese en Amerikaanse cardiologieverenigingen hun kennis samenlegden.

Zo'n consensus is geen nieuw experiment met deelnemers in een laboratorium. Het is een samenvatting van het bestaande bewijs. De auteurs verzamelden en beoordeelden studies die al beschikbaar waren en trokken daaruit gezamenlijke aanbevelingen. Dat is waardevol, maar het betekent ook dat de kwaliteit afhangt van wat er al onderzocht is.

En juist dáár zit een belangrijk punt. Veel van het onderliggende onderzoek bestaat uit observatiestudies. Onderzoekers vergelijken groepen fanatieke sporters met minder actieve mensen en kijken wat er verschilt. Ze gebruiken CT-scans om verkalking in de kransslagaders te meten, soms aangevuld met MRI-opnames van het hart. Of ze analyseren hartritmeregistraties om ritmestoornissen in kaart te brengen.

Zulke studies zijn nuttig. Ze leveren signalen op die het waard zijn om serieus te nemen. Maar ze bewijzen geen oorzakelijk verband. Als bij fanatieke sporters meer verkalking wordt gevonden, betekent dat niet automatisch dat het sporten de oorzaak is. Leeftijd, genetische aanleg, voeding, slaappatroon, bloeddruk en cholesterol spelen allemaal een rol. Die factoren zijn moeilijk volledig uit te sluiten in observationeel onderzoek.

De auteurs van de consensus erkennen dit zelf ook. Ze schrijven dat er nog te weinig gerandomiseerde studies zijn en dat de langetermijnuitkomsten nog onvoldoende in beeld zijn. Vrouwen zijn bovendien sterk ondervertegenwoordigd in de bestaande studies, waardoor de bevindingen niet één op één gelden voor sportsters.


Wat weten we dan wel?

Er zijn twee bevindingen die in meerdere studies terugkomen en die serieus genomen mogen worden.

De eerste is verkalking van de kransslagaders. Bij masters athletes, dus bij die groep van zeer fanatieke oudere duursporters, worden vaker afzettingen van kalk in de kransslagaders gevonden dan bij gezonde, maar minder actieve leeftijdsgenoten. De Belgische Master@Heart-studie, een methodologisch sterke prospectieve studie, vergeleek drie groepen: mensen die nooit intensief hebben gesport, mensen die later in hun leven zijn begonnen met intensief duursport, en mensen die al hun hele leven intensief trainen. Juist die laatste groep had gemiddeld de meeste plaquevorming in de kransslagaders.

Belangrijk detail: niet elke plaque is even gevaarlijk. Verkalkt, gestabiliseerd weefsel gedraagt zich anders dan zachte, kwetsbare plaque die kan scheuren. Dat onderscheid is in de beeldvormende studies ook te maken, maar de klinische betekenis ervan voor sporters op de lange termijn is nog niet volledig opgehelderd.

De tweede bevinding betreft hartritmestoornissen, met name atriumfibrilleren (AF). Meerdere meta-analyses laten zien dat sporters die jarenlang intensief trainen, een hogere kans hebben op AF dan niet-sporters. Oudere reviews spreken over een risicoverhoging van ruwweg twee tot tien keer, maar dat getal varieert sterk per studie en populatie. Hoe dit precies ontstaat, of het door het sporten zelf komt of door andere factoren, is nog niet duidelijk.


De uitspraak die wrijving opwekt

In het NOS-artikel doet Eijsvogels een uitspraak die mij en waarschijnlijk veel sporters de wenkbrauwen deed fronsen: "Als je tussen de drie en vijf uur per week sport, zit je aan je maximale gezondheidswinst. Daarboven levert het niet zo veel meer op."

Dat klinkt stellig. Maar de vraag is: waar is die grens precies op gebaseerd? En gaat het over één soort sport, of over de totale bewegingstijd per week? Iemand die drie uur aan krachttraining doet en twee uur aan cardio zit al op vijf uur. Telt een rustige yogales daar ook bij? Geeft meer bewegen daarboven dan echt geen voordelen meer?

Die nuance mist in de quote. En Eijsvogels zelf erkent dat ook meteen: hij geeft toe dat het exacte omslagpunt niet bekend is. Dat is een eerlijke wetenschappelijke houding, maar het maakt de eerdere uitspraak des te meer een versimpeling. Zeker in een context waar de kop van het artikel al de suggestie wekt dat intensief sporten gevaarlijk is.

De aanbeveling om als fanatieke sporter van 35 jaar of ouder eens in de vijf jaar je bloeddruk, cholesterol en bloedsuikers te laten controleren is wél concreet en zinvol. Sporters, zeker de fanatiekere onder ons, hebben de neiging risicofactoren te bagatelliseren, omdat ze zichzelf als gezond beschouwen. Dat is een blinde vlek die het waard is om te adresseren.


Wat betekent dit voor de gemiddelde fanatieke sporter?

Als je drie of vier keer per week sport, een halve marathon loopt, op de racefiets rijdt of regelmatig naar de sportschool gaat: dit onderzoek gaat niet over jou. De signaleringswaarde voor die groep is minimaal.

Als je jarenlang extreem veel uren per week traint op hoge intensiteit, dan is het verstandig om je risicofactoren serieus te nemen, ook als je je goed voelt. Niet omdat sporten slecht voor je is, maar omdat een goede gezondheid meer vraagt dan alleen veel beweging. Een verhoogde bloeddruk of cholesterol verdwijnt niet vanzelf door fanatiek te trainen.

En als je, zoals velen van ons, ergens in het midden zit: actief, fanatiek op je eigen niveau, maar lang niet in de categorie van de masters athletes uit deze studies, dan is de boodschap simpel. Blijf bewegen. Luister naar je lichaam. En trap niet in krantenkoppen die complexe wetenschap terugbrengen tot één zin.

Dat sporten gemiddeld gezien leidt tot een langer en gezonder leven is duidelijk. Dat geldt voor beginners die net beginnen met bewegen, voor recreatieve sporters in het midden, en voor de meeste fanatieke sporters aan de bovenkant. De studies in deze consensus veranderen dat beeld niet. Ze voegen er nuance aan toe, voor een specifieke en kleine groep.

En die nuance verdient een eerlijker kop dan de NOS hem gaf.


Bronnen

  • Eijsvogels T.M.H. et al. Masters athletes with abnormal cardiovascular findings: a clinical consensus statement of the European Association of Preventive Cardiology of the ESC and the American College of Cardiology. European Heart Journal / JACC, 2026. DOI: 10.1093/eurheartj/ehag040
  • Radboudumc nieuwsbericht: Even active athletes can develop cardiovascular disease, april 2026.
  • Master@Heart studie, KU Leuven / Jessa Ziekenhuis, gepubliceerd in European Heart Journal, 2023.
  • Möhlenkamp S. et al. Running: the risk of coronary events. Prevalence and prognostic relevance of coronary atherosclerosis in marathon runners. European Heart Journal, 2008.
  • Meta-analyses atriumfibrilleren bij duursporters, o.a. Abdulla J. & Nielsen J.R., European Journal of Cardiovascular Prevention and Rehabilitation, 2009.